De sax drinkt

door redactie op 01-04-2010

Zomaar een woensdagavond. In Studio K is jazz aangekondigd. Benjamin Herman, een paar jaar geleden uitgeroepen tot best geklede man van Nederland, komt spelen. We fietsen naar Amsterdam-Oost. Daar zit hij, Herman. Hij eet. Hij is inderdaad goed gekleed. Vandaag in een rode trui, zwarte broek en zwarte laarsjes. Hij draagt een stevige bril onder een strak kapsel met scheiding. Iemand meent een personage uit een film van Alex van Warmerdam te herkennen. Nee, dat is hem, de saxofonist!

De altsaxofoon ligt uitdagend te blinken in een opengeslagen koffer. Twintig over tien, de sax gaat om de nek, het gaat beginnen. Benjamin Herman, velen kennen hem als de bandleider van het knetterende jazzgezelschap New Cool Collective, begint te blazen. En direct wordt het bewijs geleverd: deze toffe gast is een van de beste muzikanten van Nederland. De vonken vliegen er meteen van af.
Voor sommige muziekstukken kijkt hij nog even naar de noten, in een zelfgemaakt boek. Een korte blik, want alle composities gaan uit het hoofd. Gestileerde chaos lonkt naar alle aanwezige oren. Achter het regelpaneel van het geluid zit een jongen in een houthakkershemd. Hij kriebelt door zijn baardje. Met een pen zet hij lukraak streepjes op een stuk papier. Hij turft. Streepjes worden letters. Hakkende kapitalen waarmee hij zomaar wat poëzie dirigeert. Ondertussen vloeit de saxofoon oneindige melodieën, verdonkeremaant de bas nare stemmingen, rommelen de onverstoorbare drums vrolijk voort… is dat niet lust for life dat het ritme domineert?

Alletwee hebben ze een eigen glaasje, de man en de sax. Water voor de mond, water voor de klep. Een lange rij witte tanden lacht. “Dit is een stuk van Dizzy Gillespie”, roept de saxofonist. Niet eerder een man gezien wiens stem zo prachtig bij zijn kleding past. Yeah, dit is jazz. Zelfs het toevallige filmpubliek blijft hangen, geboeid door de muziek die bijna onafgebroken door de ruimte klatert. De saxofoon krijgt met regelmaat zijn slokjes. Gaandeweg ligt er een plas op de grond.

En dan trekken ze de aandacht: de handen. Ze dansen. Steeds meer handen dansen. Op de altsax, op de bas, met de drumstokjes, over toetsen, maar ook onopvallend langs randen van tafels, in broekzakken. Misschien komt het door het aanstekelijke schouwspel dat uit de zaal ineens allemaal musici opstaan en zich even later enthousiast in de performance mengen. Jonge artiesten, ogenschijnlijk op de bonnefooi langs gekomen – uit op een verzetje – stappen een voor een naar voren. Ze doen denken aan die feestelijke figuren die over het algemeen de Vapiano bevolken, rechtstreeks met hun koffers in allerlei vormen uit het conservatorium gelopen. Alleen nu spelen ze de sterren van de hemel. Er blijken ook oude rotten te zijn opgestaan, met trompet en saxofoon. Oud en jong, de muziek kneedt speels de boel bij elkaar.

Het wordt laat, op deze woensdagavond. Maar we moeten terug naar de fiets, terug naar de oude binnenstad. In een café op de Oudezijdsvoorburgwal staat zogezegd een lekker nummertje aan, I will survive. De gasten zijn er op één hand te tellen. Verderop zwiepen geruisloos glazen deurtjes open. En dicht. Wat wordt het nou, wel of niet? Het lijken wel poppetjes in een weerhuisje. Iemand vraagt: hoe staat het leven? Geen antwoord. Een reiger die zijn dag- en nachtritme heeft omgedraaid, rekt zich uit. Hij is verzot op gefrituurde kipkluifjes.

Vorig artikel:

Volgend artikel: