Een mooie rode ring

door redactie op 13-01-2010

Die avond kocht hij een ring voor haar. Een mooie rode ring met een appeltje erop. Een appeltje van de Wallen.
Hij was een van hen, een van allemaal, van alle mannen die rondjes lopen. Om de kerk, langs een gracht, door een steeg, vooruit, nog een gracht. En terug. Nog een keer. Weer terug, waarom niet. 
Bij de kleine bioscoop schuin tegenover een van de straalkapellen van de kerk had hij in het voorbijgaan de eigenaar al twee keer op een stoel zien staan om de filmbanden te verwisselen. Een merkwaardig overblijfsel van vroeger tijden, toen de tijden waarschijnlijk nog goed en oud waren. 
Achter ramen die eigenlijk deuren waren, werd geklopt, gezwaaid en gewiegd, nou ja, geflabberd was het meer. Het was alsof iedereen naar hem keek en toch had hij het gevoel dat geen mens hem echt zag. Een situatie die hem beviel, hij hield ervan onzichtbaar te zijn. 
Langzaam was het donker geworden en alles wat even ervoor nog wit was, lichtte op. Van sneeuw tot ondergoed. De magische gloed van blacklight. Met iedere stap leek het onechte licht een zweem van betekenis op te willen eisen, alsof het verband hield met iets aanraakbaar exotisch.
Wat je ver haalt is niet altijd lekker, dacht hij, maar smaken verschillen. Je weet in ieder geval dat het iets anders dan anders is, probeerde hij zijn afkeuring weg te bonjouren. Geen zin. Nog maar een stukje lopen. In zijn neus dwong zich een weeë geur die hem deed denken aan een naast een verwaarloosd openbaar toilet gelegen conversatiehoek van een ouderwets bejaardenhuis, waar heren op leeftijd zompige rookwaren van het merk Hofnar en Agio nuttigden. Hij zette zijn kraag op en liep verder. 
Misschien vond hij om de hoek wel gewoon waar hij naar zocht, wat dat dan ook mocht zijn. Hij twijfelde. Vrouwen, verdomme. Niet bepaald een aspect van het bestaan dat tot zijn specialiteiten gerekend kon worden, maar eens zou het hem allemaal beter afgaan. Ooit. Zijn moeder had het ‘s middags bij de kassa in de supermarkt nog geroepen, dat ‘ie zo verlegen was. Daar lag het allemaal aan. De verkoopster had hem met een begrijpende glimlach aangekeken toen hij zacht ‘valt wel mee’ zei.
Zou hij dan toch maar bij die ene op de kade? Hij ademde diep in en trok zijn alles-okee-niks-aan-de-hand-gezicht. Nog een rondje dan. Net voordat hij naar links wilde afslaan, trok een kleine automatiek zijn aandacht. Daar lag, achter een raampje, stil en onbeweeglijk, een ring. Insert 2,50 stond er boven. Een sieraad uit de muur! Kopen was zo eenvoudig als het trekken van een kroket bij de Febo. Hoe lang geleden was het dat hij dat gedaan had? Hij gooide het geld in en klapte het glazen luikje naar voren. Prachtig, het werkte. Op een papieren schaaltje lag een ring, een uniek exemplaar, doordrenkt in rood. Hij voelde eraan, voorzichtig, met zijn vingertoppen. Perfect gelakt. Perfect rood. De alomtegenwoordige leugenachtige kleur van de liefde. Onmerkbaar liet hij zijn schat in zijn zak glijden en terwijl de kerkklok half zes sloeg, bedacht hij zich dat hij vandaag op tijd thuis zou zijn. 

Vorig artikel:

Volgend artikel: