Het was zo’n dag
dat overal karretjes
aan te pas komen.
In het Stedelijk Museum
reden twee schilderijen
van De Kooning zij aan zij
door een zaal, terwijl
in de boekhandel
aan het Koningsplein al rijdend
een boekenberg werd verzet.
Iets soortgelijks,
maar dan met groenten,
vertoonde zich ’s morgens al
bij Albert Heijn,
en een verhuizing om de hoek
liep op rolletjes
door een laag rijdend plankje,
in die branche hondje genaamd.
Verderop denderden koffie en thee
in een omgebouwde invalidenwagen
langs kooplieden op de markt.
Op de stoep bij het winkelcentrum
volgde een wasvracht. Hobbelig
als een modeltreintje zonder rails
stormde een bakje op wielen
naar de stomerij.
Uit een architectenbureau karde
even later op een soort kansel
een klein maar statig
flatgebouw - onderweg naar een
onbewoonbare stad.
Alles bewoog achteloos anders:
de dingen vierden Karretjesdag.